Eindhoven - Kevelaer

Al ruim 200 jaar vanuit Eindhoven en omgeving naar Kevelaer

DE BROEDERSCHAP

De organisatie van de  Broederschap kent een bestuur en daarnaast in elke opstapplaats een Broedermeester, die de opgave van deelnemers uit die plaats regelt!  In Eindhoven wordt de opgave geregeld door meerdere broedermeesters.      

Hieronder zullen wij de ontstaansgeschiedenis van onze Broederschap plaatsen:

KORTE GESCHIEDENIS EN DOELSTELLING BEDEVAART   

De processie van Eindhoven naar Kevelaer dateert al van het jaar 1742. Een eeuw eerder, sinds 1642, wordt Maria in Kevelaer - in het land van Kleef - ongeveer 14 km van de Nederlandse grens, vereerd als de Troosteres der Bedroefden.    Het genadebeeld is een kunstzinnige Belgische reproductie in kopergravure van het Lieve Vrouwe beeld van Luxemburg en bevindt zich in de genadekapel, die in 1651 werd gebouwd. Van mei tot november komen in Kevelaer jaarlijks honderdduizenden pelgrims uit Nederland, België, Luxemburg en Duitsland Maria vereren.         

Op 2 juni 1894 richtte de toenmalige bisschop van Den Bosch, Mgr. W. van de Ven, in de parochiekerk van de H. Catharina te Eindhoven deze processie - die toen al 152 jaar bestond - canoniek (kerkrechtelijk) op en verhief haar tot een Broederschap. Ze werd toen een officiële kerkelijke vereniging met de naam "Onze Lieve Vrouw Broederschap der Processie van Eindhoven en onderhorige plaatsen naar Kevelaer".

De goede zorg voor deze Broederschap en haar bestuur werd de pastoor van Eindhoven (Eindhoven was toen nog een klein plaatsje) toevertrouwd: hij werd benoemd tot Directeur "der genoemde Broederschap met de macht om een andere priester te delegeren", - aldus vermeldt de oprichtingsakte.De Broederschap van de Processie heeft ten doel: het verkrijgen van geestelijke gunsten en voorrechten voor haar leden o.a. door het houden van 'Een jaarlijkse bedevaart naar Kevelaer'.         

In elke parochie, die zich bij deze Broederschap aansloot, werd in overleg met de daar aangestelde pastoor één of meer broedermeesters aangesteld, die zich binnen de kring van hun parochie belastten met het werven van nieuwe leden, contributie en zorg voor gebed voor overleden leden.

Van de hele aanpak legde het bestuur verantwoording af aan de directeur, "die een en ander van Zijne goedkeuring voorzien, aan den Bisschop van Den Bosch overlegde'; zo vermeldt het reglement uit 1894.